Misschien ken je één van de volgende materialen: de Helpende Gedachten kaartjes, het Coole Kikkerspel, het RET kwartet of de boekenserie: Teken Je Gesprek. Al deze materialen hebben elementen in zich uit de cognitieve gedragstherapie.

Ze worden ook gebruikt in het onderwijs in de begeleiding van hoogbegaafde leerlingen. Bijvoorbeeld wanneer perfectionisme overgaat in faalangst of wanneer het sterke rechtvaardigheidsgevoel onhandige uitingen en gedragingen tot gevolg heeft.

In dit blog wil ik een aantal aandachtspunten met je delen, zodat het gebruik van deze mooie materialen nog meer tot zijn recht komt. Omdat het goed mogelijke is dat cognitieve gedragstherapie je niet zoveel zegt, eerst even een toelichting.

Cognitieve gedragstherapie

Kort gezegd is het doel van deze therapievorm het veranderen van iemands negatieve gedachten ten op zichten van een probleem. Deze verandering in gedachten moet dan ander gedrag tot gevolg hebben.

Negatieve gedachten leiden over het algemeen tot angstige gevoelens. Dit beïnvloedt iemands zelfspraak en daarmee zelfbeeld. Hij of zij vertoont hierdoor ongewenst gedrag, waarbij ongewenst heel breed opgevat kan worden. Denk aan: je terugtrekken uit sociale contacten, in paniek veel fouten maken op toetsen, of in woede met stoelen door de klas gooien.

Bij cognitieve therapie worden de negatieve gedachten geanalyseerd. Is het probleem wel écht zo’n groot probleem? Is er niet een realistischere kijk mogelijk? Vanuit een vernieuwde blik worden er helpende gedachten geformuleerd die als het ware opnieuw geprogrammeerd moeten worden.

Vaak wordt het als zeer verhelderend ervaren om bijvoorbeeld via de methode van Teken Je Gesprek eens te analyseren wat er nu daadwerkelijk gebeurt.

Past dit wel in het onderwijs?

Nu klinkt de beschrijving hierboven misschien wat zwaar. Je kunt je afvragen of je hier wel wat mee moet met je klas. Realiseer je dan, dat een leerkracht die hardop gedachten uitspreekt tijdens een activiteit in de klas, al een simpele vorm van cognitieve therapie is. Je deelt gedachten die helpend kunnen zijn bij wat je op dat moment doet, zo inspireer je de kinderen om deze manier over te nemen.

De materialen die ik bovenaan dit blog noemde zijn ontwikkeld om te gebruiken met kleine groepjes kinderen of in individuele begeleiding. Ik kom ze tegen in plusklassen of bij IB-ers.

Daarom hieronder een aantal aandachtspunten, die wat mij betreft cruciaal zijn. Worden deze over het hoofd gezien dan kunnen de, meestal goedbedoelde, interventies een tegenovergesteld effect hebben. Met de volgende drie inzichten vergroot je de kans dat je kinderen daadwerkelijk kunt helpen.

 

1 Veel problemen zijn het probleem niet

Als je aan de slag gaat met negatieve gedachten van een kind over een probleem, moet het natuurlijk wel gaan over het probleem van het kind. Want stel, het maken van toetsen lukt niet. Er worden geen goede resultaten behaald. Dan kan dat zeker een probleem zijn.

Maar voor wie is dit een probleem? En is dit wel het eigenlijke probleem, of eerder een symptoom? De kans is groter dat het kind een heel ander probleem ervaart, bijvoorbeeld rondom vriendschappen, sociale verwachtingen of dat het niet aan zijn trekken komt met zijn interesses en talenten. Daar gaan je goede bedoelingen… Persoonlijk vind ik het dan niet oké als we datgene wat wij als probleem zien, opdringen aan het kind. Zelfs als het gaat om lage toetsscores.

2 Het bepalen van je gedachten

Bij cognitieve gedragstherapie worden gedachten gelabeld als positief/helpend en negatief/niet-helpend. Daarbij wordt aangegeven dat het wenselijk is om zo min mogelijk negatieve gedachten te hebben. Maar wat als die negatieve gedachten nu tóch in je opkomen?

Moet je je schuldig voelen over je gedachten? Dat is niet iets dat ik over zou willen brengen. Zelf voel ik mij liever niet persoonlijk verantwoordelijk voor wat ik denk. Er komt en gaat van alles in mijn hoofd, van ‘Ik heb geen zin om te koken vanavond’, ‘Wat een lekker zonnetje’ tot ‘Stel dat ik nu een zwaar ongeluk krijgt’ of ‘Wat als ze mij allemaal uitlachen’. Al die verschillende soorten gedachten zijn wat mij betreft neutraal. Ze komen en ze gaan, zonder dat ik daar iets aan kan doen. Natuurlijk heb ik voorkeuren voor bepaalde gedachten, maar de eerste mens die volledig en in elk moment kan bepalen wat hij of zij denkt moet nog geboren worden.

Inzien dat je niet in controle bent over je gedachten, is een waardevol inzicht. Dat het normaal is dat ook de zogenaamd negatieve gedachten zo nu en dan voorbij komen. En dat er allerlei gevoelens bij kunnen ontstaan, die ook weer voorbij gaan.

Er zijn geen universele trucjes om aan ons denken en voelen te ontkomen. Wat bij de een werkt (mediteren) werkt niet bij de ander (hardlopen). En dan werken die manieren bij de persoon in kwestie ook nog eens niet altijd, of niet zo lang als gewenst. Dat is normaal en brengt mij op het volgende punt.

3 Je bent niet aansprakelijk

Je hoeft geen verantwoording af te leggen voor wat je denkt. Want hoe graag je ook alleen nog maar helpende gedachten zou hebben, dit is een utopie. In de begeleiding van kinderen vind ik het belangrijk dat we communiceren vanuit dit feit. Dat die helpende gedachten je niet altijd zullen helpen. Iedereen maakt mee dat een gedachtestroom (of storm) negatieve gevoelens meebrengt. Daarom helpen de helpende gedachten lang niet altijd. En we zijn niet slecht, dom of stuk als dit gebeurt.

Laten we vooral aangeven richting kinderen dat je erop mag vertrouwen dat deze gedachten ook weer voorbij gaan. Zie gedachten als een rivier die door je heen stroomt. Rustiger water komt altijd. Net zoals de stroomversnelling. Deel je eigen ervaringen hierin, zodat de kinderen die je begeleidt ontdekken dat wij als volwassenen hier ook steeds mee te maken hebben.

Helpende gedachten

Ik hoop dat met de drie aandachtspunten hierboven, het begeleiden van kinderen (en volwassenen) via de cognitieve gedragstherapie nog beter zal verlopen. Met of zonder specifieke materialen. En wie weet heb je als begeleider ook nog wat aan deze inzichten.

Heel fijn als je de informatie deelt!